Dorpsgeschiedenis 1940 – 1945
(Bron: CD-Rom 150 jaar Helenaveen 2003)
Auteur: Onbekend
© Dorpsraad Helenaveen
1940
In het voorjaar van 1940 wordt de dreiging van een inval door de Duitse troepen in Nederland steeds groter, ondanks de toezegging van Duitsland om het neutrale Nederland niet aan te vallen. Het Nederlandse leger heeft inmiddels overal in het land stellingen opgeworpen om de eventuele Duitse vijand buiten de deur te kunnen houden.
Op 13 maart overlijdt directeur Lambrechtsen. Hij wordt opgevolgd door de heer F. Osinga, die veel doet om de woningbouw te verbeteren.
De 2e Wereldoorlog breekt uit en op 10 mei valt het Duitse leger Nederland binnen. Helenaveen ligt midden in de Peellinie. Om voldoende schootsveld te krijgen worden 's morgens een boerderij, 8 tuinderswoningen en een stalling door de Nederlandse militairen platgebrand. Door het met dynamiet laten springen van eikenbomen langs de wegen lopen diverse woningen schade op. Alle schepen in het kanaal worden tot zinken gebracht en de ponton- en draaibruggen worden vernield. Tevergeefs. Omdat het Duitse leger een snelle doorgang bij Mill weet te forceren, dreigt de Peel-Raamstelling in de rug te worden aangevallen. Het Nederlandse leger trekt zich terug. Alle vernielingen zijn voor niets geweest. De gedupeerde gezinnen worden voorlopig in houten barakken ondergebracht. Het Nederlandse leger kan weinig uitrichten tegen het snel oprukkende Duitse leger. Nederland is bezet.
Eind 1940 verkoopt de Maatschappij het Mariaveen, groot 527 hectare aan het Rijk.
1941
In Mariaveen worden 6 schuren gebouwd. Ze moeten gebruikt gaan worden als onderkomens voor tewerkgestelden tijdens ontginningswerkzaamheden. De verwoeste woningen worden door de Wederopbouwdienst herbouwd.
Het turfsteken begint in 1941 weer op te komen om het tekort aan de toch al zo schaarse steenkool aan te vullen. De Maatschappij wil de bruggen en wegen aan de gemeente Deurne verkopen, maar door de oorlogshandelingen wordt het contact tussen koper en verkoper verbroken.
Omdat Helenaveen tamelijk geïsoleerd ligt ten opzichte van de omliggende dorpen, blijft het tamelijk rustig. Er zijn wel Duitse bezetters in het dorp en men moet zich wel aan de Duitse regels houden, maar verder zijn er geen grote incidenten. Doordat het zo rustig is, zijn er verschillende onderduikers in het dorp (bijvoorbeeld de Joodse familie Winter).
Ondanks de oorlog viert Helenaveen feest op zondag 25 mei 1941. Het is een drievoudig feest: de parochie Helenaveen bestaat 50 jaar en het is tevens het gouden priesterfeest van pastoor A.J.C. van Haaren, die dan 25 jaar priester van de Helenaveense parochie is. Als priester en vooral geestelijk adviseur heeft hij veel voor de bevolking van Helenaveen gedaan. Dat blijkt ook tijdens het houden van een grote collecte voor het geschenk van de pastoor, waar ook de protestanten van Helenaveen gul aan deelnemen.
Op 22 mei volgt dominee C. Schakel dominee W.E.van de Berg op.
1942
Mevrouw Schakel, de vrouw van de dominee richt de Protestants Christelijke Vrouwenvereniging op.
1943
Directeur Osinga van Maatschappij Helenaveen wordt ontslagen, omdat onder zijn bestuur de uitgaven te hoog op zijn gelopen en wordt op 1 januari opgevolgd door directeur B.D. van Schelven. Osinga wordt vervolgens directeur van Maatschappij Mariaveen in Sevenum.
Op 2 december wordt dominee J.A. Alsfelt predikant van de Nederlands Hervormde Gemeente en hij zou dit tot 26 oktober 1947 blijven.
Ook in Helenaveen zijn er mensen in de ondergrondse actief, waaronder meester L. Theelen, Kees Crommentuijn, Sjraar Sonnemans en Toon Joosten. Meestal bestaat hun taak uit het regelen voor onderdak van onderduikers en het bemachtigen van voedselbonnen. Ook het opvangen van neergestorte vliegtuigpiloten verloopt via de ondergrondse.
Zo maakt op 14 januari 1943 een typhoon, een Engelse jachtvliegtuig van de R.A.F., ongeveer twee kilometer noordwestelijk van Helenaveen een geslaagde noodlanding in de eenzame Peel. Het vliegtuig is met zijn neus tegen een turfafgraving gebotst. De Australische Flight-Lieutenant Johnny McLaughlin van het R.A.F. Squadron is direct na zijn noodlanding begonnen met zijn vliegtuig gedeeltelijk te vernietigen met behulp van explosieven. Dit is een standaard procedure voor vliegtuigen die in vijandelijk gebied zijn terechtgekomen. Hierna is hij naar de bewoonde wereld gegaan en tegen de avond bereikt hij de aan de weg Helenaveen-Griendtsveen gelegen "Julianahoeve" van Philip van der Kroon. Nadat zijn hoofdwond, opgelopen bij de ongelukkige landing, verbonden is, wordt meester Theelen gewaarschuwd. Die weet op zijn beurt weer dat Sjraar Sonnemans uit Helenaveen lid is van het verzet uit Kronenberg/Sevenum. Vanuit Sevenum heeft het verzet een pilotenhulplijn opgezet om zo gestrande piloten via België, Frankrijk en Spanje weer terug te smokkelen naar Engeland. Langs allerlei sluipweggetjes brengt Sjraar de piloot midden in de nacht naar de boerderij van Joep Zeelen, het hoofdkwartier van het verzet, waar dokter Le Lorrain (ook lid van de verzetsgroep) de hoofdwond van de piloot verzorgt. Hij blijft twee nachten in de blokhut in het bos en wordt vervolgens door een verzetsleider per auto naar Maastricht gebracht. Na een lange tocht keert de piloot in Engeland terug, waar hij op 11 april verhoord wordt door de Britse Geheime Dienst, M19 genaamd.
De piloot, Johnny McLaughlin is uiteindelijk in 1991 in Australië overleden.
1944
Wanneer er vliegtuigen in de lucht zijn, heeft Sjraar Sonnemans vaak de gewoonte om 's nachts rond te dwalen. Eind maart 1944 loopt hij tegen een persoon aan in een R.A.F.-uniform. Het is de Engelsman Albert Keveren, piloot van een Lancaster bommenwerper. In de nacht van 24 op 25 maart is hij boven Duisburg geraakt door luchtafweergeschut. Vier bemanningsleden zijn hierbij omgekomen en twee mannen zijn na hun parachutesprong gevangen genomen. Alleen Albert heeft kunnen vluchten. Hij zwemt de Maas over en heeft 's nachts in westelijke richting gelopen. Nadat hij iets bijgekomen is van zijn zwerftocht krijgt hij een boeren overall aan en wordt hij door Sjraar achterop de fiets naar Kronenberg gebracht.
In de nacht van 22 op 23 april 1944 is een Halifax bommenwerper op de terugweg van een bombardement op Düsseldorf. Helaas verloopt de terugweg niet naar wens en moet de bemanning zich redden per parachute. De sergeants, "Taffy" Williams en Jimmy Firth, komen in Helenaveen terecht en worden opgevangen door enkele Helenaveense vrienden, waaronder Jerôme Theelen, zoon van de hoofdonderwijzer. De vrienden vertellen Sjraar Sonnemans van de vliegers. In de vroege ochtend brengt Sjraar "Taffy" op de fiets naar Kronenberg. Jimmy blijft achter en wordt onder de school verborgen in een hol, welke Jerôme en z'n vrienden gegraven hebben. In die nacht komen nog drie vliegtuigen in en om Helenaveen naar beneden, waaronder een andere Halifax bommenwerper met zeven inzittenden. Drie bemanningsleden worden gevangen genomen, drie kunnen ontsnappen en zijn waarschijnlijk geholpen door het verzet uit Liessel. De zevende is André Duchesnay, een Frans-Canadees. Hij komt die ochtend bij meester Theelen terecht en verblijft overdag ook in het hol onder de school. In de nacht van 24 op 25 april worden Jimmy en André door Sjraar te voet naar Kronenberg gebracht.
Wellicht interessant om te melden is het feit dat Albert Keveren in 1959 overleden is in Gloucester (Engeland). Taffy Williams is in 1974 in Wales (Engeland) overleden en Jimmy Firth is in 1991 overleden in Morley-Leeds in Engeland. André Duchesnay schrijft op 16 juli 1946 een brief naar Sjraar Sonnemans, waarin hij Sjraar bedankt voor het redden van zijn leven. Hij vertelt verder dat hij nog 25 bombardementsvluchten heeft gemaakt en inmiddels directeur is van een Engels verzekeringsmaatschappij. Na 1946 heeft Sjraar Sonnemans niets meer vernomen van André.
Zoals al eerder vermeld is zijn er in Helenaveen op verschillende plaatsen mensen ondergedoken. Dit zijn lang niet altijd joden, ook andere mensen die voor de Duitse bezetter op de vlucht zijn duiken onder. Dit is zeker niet zonder gevaar. Er zijn ook altijd collaborateurs; verraders die voor geld wel willen zeggen tegen de Duitsers waar onderduikers zitten. Vaak zijn dit bekenden en soms zelfs familieleden van de bewoners met onderduikers, zo blijkt uit het volgende voorbeeld. Ook Willem Janssen (woonde ter hoogte van het huidige Soemeersingel 137) heeft enkele joodse onderduikers in huis. In september 1944 worden ze echter verraden voor geld door een goede bekende van de familie. De joden worden door de Duitsers weggevoerd. De familie Janssen wordt gelukkig met rust gelaten. Enkele dagen later wordt de verrader door enkele verzetsmensen, waarbij ook Toon Joosten aanwezig is, gevangen genomen en overgedragen aan de KP (Knokploeg) van Sevenum. Deze hebben de man gefusilleerd.
In 1944 is in Helenaveen ook een opleidingskamp gevestigd voor NSB-ers. Deze NSB-ers worden opgeleid voor het oostfront in Rusland (de zogenaamde "Ostgangers"). Na de oorlog is dit kamp aan de Oude Peelstraat gebruikt door de BB (Bescherming Bevolking).
Dominee Alsfelt houdt gebedsdiensten in de huiskamer van de familie Linders aan de Spiesberg in Grashoek. De wijkverpleging wordt in januari opgericht en met een financiële bijdrage van het Koning Willem lll-fonds wordt een kliniek ingericht.
Van ongeveer mei tot september 1944 zit er een Belgische kapelaan ondergedoken in het klooster bij de zusters in Helenaveen. Een voorval uit die periode springt eruit door de spanning en de angst, die het voorval met zich mee heeft gebracht. Op een nacht wordt er met geweld op de deur gebonkt door een groep van vijf Duitse soldaten. Samen met de kapelaan maakt zuster Hendrina de deur open. De lui stormen naar binnen en eisen brood, vlees enz. Ook het bier, dat door een van de zusters gebrouwen is, moet op tafel komen. Wel eisen ze, dat de kapelaan eerst een slok daarvan drinkt, aangezien ze bang zijn voor vergiftiging. De kapelaan weigert dit echter in verband met het nuchter willen blijven voor de H. Communie. De Duitsers blijven aandringen, de kapelaan blijft weigeren en de Duitse soldaten laten uiteindelijk het bier staan. Nadat ze zich volgepropt hebben, willen ze in een zaaltje gaan slapen. Daarvoor verzamelen ze alle dekens, die ze in het klooster kunnen vinden, zelfs die waar nog zusters onder lagen te slapen. Ook omslagmantels, die aan de kapstok hangen, worden door hen gebruikt om zich tegen de kou te beschermen. Nadat ze de volgende morgen uitgeslapen zijn, vertrekken de Duitsers met meeneming van zoveel mogelijk voedsel. Na de bevrijding is de kapelaan weer naar België vertrokken, waar hij later een collecte gehouden heeft in zijn parochie. De opbrengst was bestemd voor de zusters in Helenaveen, die door brand alles kwijtgeraakt waren.
Op 17 september beginnen de geallieerden "Operation Market Garden". De bedoeling is door middel van luchtlandingen een aantal strategische punten (waaronder bruggen) in handen te krijgen bij Son, Veghel, Grave, Nijmegen en Arnhem om zo een doorgang te krijgen naar het gebied boven de rivieren. Vanuit Eindhoven en vanuit de corridor Eindhoven-Nijmegen willen de geallieerde legers oprukken richting Maas. Eindhoven wordt op 19 september bevrijd van de Duitse bezetters, Liessel volgt op 23 september en Deurne een dag later. Voor Helenaveen blijven de gevolgen niet uit. Op een zaterdagmiddag barst het er van de teruggetrokken Duitse soldaten met hun keukenwagens en Rode Kruisauto's. Paarden, wagens en fietsen worden zonder pardon gestolen uit de stallen en van de velden. Vanaf de uitkijktoren bij Joosten is te zien, hoe de granaten in Liessel, Neerkant en Asten inslaan. Op 24 september wordt Helenaveen overspoeld met vluchtelingen uit Neerkant en Griendtsveen en zo ontstaat er in die dagen een zeer gemengd gezelschap in Helenaveen. Maar de Peelmoerassen belemmeren echter de doorgang en de opmars richting Maas stokt. Vanuit Zuid-Limburg en België komt de opmars tot stilstand bij het Kanaal Wessem-Nederweert. Het zuidelijk deel van het front (de kanalenfrontlijn vanaf Wessem tot Helenaveen) wordt bewaakt door de 7e Fallschirmjägerdivisie. In Meyel zijn de Duitsers officieel vertrokken tot achter de Noordervaart, maar ook hier blijven ze zich nog regelmatig vertonen in het dorp.
Helenaveen is nog steeds in Duitse handen en op donderdag 28 september gebeurt er ineens iets. Het hele dorp moet op bevel van de Duitsers evacueren, omdat enkele burgers uit Helenaveen 's nachts geschoten zouden hebben op de uitkijktoren, die in het bos achter de protestantse kerk staat. Duitse soldaten gaan rond een uur of één alle huizen langs om te zeggen, dat om drie uur in de nacht iedereen vertrokken moet zijn uit het centrum van Helenaveen. Tien mannen worden als gijzelaars opgepakt en agent Versteegen kan pleiten wat hij wil, niets helpt. De Duitsers dreigen alle bruggen in en rondom Helenaveen die nog intact waren, op te blazen, als niet iedereen op tijd weg is. De zusters mogen wel blijven om Duitse gewonden te verzorgen, maar dat weigeren ze en ze vertrekken samen met de bevolking. Hun klooster was al eerder het doelwit geworden van plunderende Duitsers. Het dorp wordt in tweeën gesplitst; de bevolking van het noordelijk gedeelte wordt geëvacueerd naar de voormalige werkkampen in Mariaveen; de bewoners van het zuidelijk deel vertrekken naar Grashoek. Rond drie uur 's nachts komen de Duitsers terug en zij roven en plunderen het hele dorp leeg. Later zou blijken, dat alleen dit hun hele opzet was geweest. Bewijzen van de beschieting, waar het uiteindelijk allemaal om ging, zijn nooit duidelijk aangetoond. Twee jonge knapen wagen zich een paar weken later alsnog in het lege dorp. Ze worden opgepakt en voorgeleid aan een plaatselijke commandant, die het tweetal meteen ter dood veroordeelt. Zover komt het niet. De twee belanden uiteindelijk in een strafkamp bij Krefeld en gaan er door een hel, maar kunnen na de oorlog toch huiswaarts keren.
De Kerkrazzia
Zondag 8 oktober 1944 lijkt een mooie zonnige dag te worden, maar het zou heel anders verlopen. De Duitsers zijn bang voor sabotage- en partizanenacties door de bevolking. Bovendien is er in de Duitse fabrieken een groot gebrek aan arbeidskrachten. Door de Duitse fronttroepen (Wehrmachtsoldaten en Fallschirmjäger), Ordnungspolizei ("die Grünen"), Sicherheitspolizei en Sicherheitsdiensten SA en SS wordt een perfect gecoördineerde actie gepland. Overal verschijnen Duitse patrouilles, worden kerken omsingeld en worden in het vrij veld drijfjachten gehouden in alle dorpen van Noord- en Midden Limburg ten westen van de Maas én het Brabantse Helenaveen. Ongeveer 3000 mannen tussen 16 en 60 jaar in het frontgebied worden opgepakt en naar Duitsland gedeporteerd voor de "Arbeitseinsatz. Door de tactiek wordt deze actie later 'de Grote Kerkrazia' genoemd.
Tijdens de Mis van 7.00 uur omsingelen parachutisten ("Fallschirmjäger") de twee kampen (de toenmalige Rijkswerkkampen I en II) in Mariaveen. De mensen worden tijdens de Mis uit de kapel naar buiten gedreven. De Duitsers zetten de wegen af en doorzoeken de kerk en alle huizen. Alle mannen en jongens worden bijeen gedreven en afgevoerd in een lange, trieste karavaan. Zonder eten en drinken, zonder extra kleding. Sommige zijn nog in nachtkleding. Volgens de Duitsers moeten ze gaan werken in Maasbree of Helden. Niet iedereen wordt opgepakt; Jan Crommentuijn ontkomt bijvoorbeeld op die zondag, doordat hij met enkelen anderen tijdig kan vluchten. Met een broer, een neef en Walter Kortooms heeft hij zich daarna nog wel ongeveer drie weken schuil gehouden in een groot hol, dat in een schuur gemaakt was. Zijn broers Arie, Leo en Jacobus ontkomen echter niet.
In een artikel in "Het Licht" van zaterdag 5 mei 1945 verscheen het verhaal van de heer Van Schelven, directeur van Maatschappij Helenaveen over deze razzia:
…'t Was 8 October 1944, een stralende zondagmorgen. Door de vredige stilte van de ochtend begaf ik mij naar het klooster van de Paters van de H.H. Harten, die, omdat ze hun eigen klooster, het Pater Damiaanhuis te Sint-Oedenrode moesten verlaten, hun toevlucht hadden gezocht in twee kampen in Helenaveen. 't Liep tegen zeven uur, toen ik daar aankwam. Aanstonds na de dienst verliet ik het kamp weer. Het viel me op, dat er een Duitser op en neer liep alsof hij iets zocht. Ik kreeg achterdocht en dus vroeg ik hem: 'Was wünchen Sie?' Op zijn vraag of ik de burgemeester was, antwoordde ik bevestigend. Ik had mij nl. omdat alle contact met Deurne verbroken was, voor het welzijn van de bevolking als burgemeester uitgegeven. 'Kommen Sie mit!' In het dorp aangekomen zag ik een troep mannen staan, die de moffen tijdens de H. Mis uit de kerk hadden gehaald. De Fallschirmjäger, het gemeenste gespuis van het Duitse leger en het laagste gepeupel van het Duitse volk - die ons dorp al sedert geruime tijd bezetten en onveilig maakten - dreven ons nu voort. Ondertussen werden ook uit de huizen alle zich daar bevindende mannen te voorschijn gehaald. De colonne groeide gestadig en toen we eindelijk buiten ons dorp stonden, waren er 163 mannen bij elkaar, waarvan 130 uit Helenaveen. We moesten voor twee dagen naar Helden om daar te werken. Dan konden we weer terug…
De Helenaveners die eerder naar Grashoek waren geëvacueerd, zijn daar niet veilig. Ook daar wordt dezelfde dag een razzia gehouden en te voet gaat de colonne richting Beringe en Panningen. Van Schelven, de directeur van Maatschappij Helenaveen krijgt het met veel woorden klaar dat vijf Helenaveners, die thuis onmogelijk gemist kunnen worden, naar huis mogen. Na de middag vertrekt de colonne lopend naar Helden, nagestaard door een menigte machteloze vrouwen en kinderen en vandaar uit via Kessel, Reuver en Belfeld naar Venlo. Een andere groep waar ook Helenaveners tussen zitten gaat vanuit Panningen via Maasbree en Blerick naar Venlo. Bij elk dorp wordt de groep groter met mannen uit de omgeving. Gedurende de 4 dagen erna worden nog eens 2000 mannen opgepakt in Limburg.
In Venlo worden de "partizanen" in veewagens geladen en in de avond van 8 oktober vertrekt vanaf het station in Venlo een trein met 50-tal veewagons volgepropt met mensen richting Duitsland. Via Düsseldorf komen ze in de vroege ochtend in Wuppertal-Varresbeck terecht, in doorgangskamp "Am Giebel". Met 25 tot 30 man worden de mannen in kamers van 4 bij 5 meter ondergebracht. Een strozak of iets dergelijks ontbreekt, dus men probeert maar met een opgerolde jas op de betonnen vloer iets te slapen na de uitputtende reis. 's Middags maken de mannen kennis met het kampeten. Het in de openlucht genuttigde brouwsel wordt koolsoep genoemd; een portie warm water waarin koolbladeren ronddrijven en, voor wie geluk heeft, een toevallige aardappel. Het geheel is op "smaak" gebracht met wat omschreven kan worden als anijszaad, peper of zangzaad. Na de soep verschijnt een medewerker van het regionaal "Arbeitsamt" om ieders beroep te noteren, waarna de mannen als slaven op een slavenmarkt door Duitse zakenlui gekeurd en 'gekocht' worden. De mannen uit Helenaveen proberen net als de groepen uit de andere dorpen zoveel mogelijk bij elkaar te blijven. Maar de Duitsers zijn onverbiddelijk: ZIJ bepaalden wie waar moet gaan werken. Een deel komt terecht in de Herman Göringwerke te Watenstedt (hoogovens) of op een nevenbedrijf in Drüten; een ander deel moet in de suikerfabrieken van Salzgitter en Nordstämme aan de slag (daar kun je in ieder geval af en toe wat snoepen om op kracht te blijven). Wie geluk heeft, komt bij een boer terecht. Weer anderen komen in andere bedrijven te werken; één ding hebben alle werkzaamheden met elkaar gemeen. De arbeid is zwaar, smerig en moeilijk en de levensomstandigheden daarbij zijn miserabel. Hard werken met gewapende opzichters achter je; zeven dagen in de week en twaalf uur per dag. Natuurlijk is het eten niet overal hetzelfde, maar gezien de arbeidsomstandigheden is het wel altijd te weinig.
Veel Helenaveners komen via Haverlahwiese in "de hel van Watenstedt" terecht in Lager 6. Er moet gewerkt worden in de slakverwerking bij de hoogovens. Het afval van de hoogovens, de "slakken", wordt met treinen naar de "slakkenberg" gereden en daar in kuilen van 4 bij 6 meter gestort. Dat spul is nog roodgloeiend. Als het een beetje is afgekoeld, moeten de mannen de brokken met grote pikhouwelen uit de kuilen trekken en in stukken hakken. Daar staan ze dan in hun zondagse pak en sommige nog in een zomers outfit, in de stromende regen en bittere kou. En boven een stomende massa slakken. Het is vreselijk zwaar werk.
Een werkdag verloopt als volgt: Om 5 uur 's ochtends opstaan en wassen. Elke barak (40 tot 50 mensen) heeft maar één kraan, met alleen maar koud water. Vervolgens gaan ze onder bewaking in optocht naar de werkplek, zonder ontbijt (3 kwartier lopen!) en klokken vóór 6.00 uur. Om 18.00 uur mogen de dwangarbeiders weer naar huis. Voordat de colonne weer aanloopt, krijgt iedereen een bonnetje waarmee ze in het kamp een kommetje koolsoep, twee sneetjes brood en een klein blokje margarine kunnen ophalen. Wie een dag niet kan werken, krijgt geen bonnetje en dus ook geen eten. Ziek zijn kan dus niet.
De leefomstandigheden in de kampen zijn verschrikkelijk. De gevangenen moeten met 40 tot 50 mannen in één houten barak wonen en slapen. De bedden zijn houten kribben, de matrassen strozakken (vervuild en vol met luizen). Iedereen krijgt een paardendeken om onder te slapen. De mannen dragen dag en nacht, in de barakken en tijdens het werk, dezelfde boven- en onderkleding die ze aanhadden toen ze werden opgepakt die achtste oktober. Vrijwel niemand beschikt over reservekleding. De sokken zitten inmiddels vol gaten en van velen zijn de schoenen doorgelopen of zelfs helemaal kapot.
Maar het ergste van alles is het ongedierte: de luizen en de ratten. Ze vormen een ware plaag, maar de mannen hebben geen schoonmaakmiddelen, geen tijd en geen energie om ze buiten de deur te houden.
De omstandigheden waaronder de dwangarbeiders moeten leven zijn erbarmelijk. Ze krijgen veel te weinig eten, hebben onvoldoende kleren en dekens om zich tegen de kou te beschermen, moeten zwaar werk leveren, worden geregeld door hun bewakers afgeranseld, en tot overmaat van ramp worden ze vaak door de geallieerden aangevallen. Die proberen met hun luchtaanvallen de Duitse industrie uit te schakelen, maar treffen daarbij geregeld onschuldige dwangarbeiders.
Vanzelfsprekend wagen sommigen een vluchtpoging. Enkele mislukken en de vluchters worden zwaar gestraft. Twee inwoners van Helenaveen wagen ook een ontsnappingspoging, maar worden niet ver van het fabrieksterrein al verraden. Terug op het terrein takelen de bewakers de jongens met ijzeren staven dermate toe, dat één van hen er blijvend ruggenletsel aan overhoudt. Het is door tussenkomst van twee Franse krijgsgevangenen, dat ze niet worden doodgeranseld. Anderen lukt zo'n vluchtpoging wel. De broers Theo en Antoon Berkers (afkomstig uit Schinveld, maar ze zaten ondergedoken bij familie in Helenaveen) hebben al een eerdere poging ondernomen, die mislukt was. Hun tweede poging op Tweede Kerstdag (voordeel: onderbezetting van de bewaking) heeft meer succes en vanaf hun werkplek lukt het om weg te komen. Ze volgen het spoorlijntje naar Salzgitter en stappen vervolgens op de trein om met list en een flinke dosis geluk via Brunswijk, Osnabrück in Papenburg te komen, waar Henk Erkelens, hun neef woont. Ze duiken daar vervolgens onder en blijven uit de handen van de Duitsers.
Velen overleven de ontberingen in de kampen niet.
• Frans Luyten is de eerste inwoner van Helenaveen die in Duitsland om het leven Fomt. Hij verbrijzelt zijn hand en onderarm tussen een lopende band. De Duitsers vinden het niet nodig om hem te verzorgen, want hij zal hen toch niet meer van nut kunnen zijn. Ze laten hem creperen. Op 14 december 1944 sterft hij onder helse pijnen op 27-jarige leeftijd in een van de Duitse kampen (officiële doodsoorzaak: "Herzschwäche" oftewel hartzwakte).
• Jan Willem Buis is 43 jaar oud en gehuwd, wanneer hij op 23 januari in het Krankenhaus te Drütte overlijdt aan darmcatarre.
• Andries Rutten is pas 16 jaar oud, wanneer algehele verzwakking en uitputting ("Herzschlag") op 1 februari een einde aan zijn leven maakt.
• Bertus Erkelens (30 jaar) probeert samen met een zekere Harrie vanuit Watenstedt-Salzgitter zijn broer Henk te bezoeken, die in Papenburg woont en werkzaam is. Ze zijn echter niet in het bezit van geldige reispapieren en worden uit de trein gehaald en meegenomen. Na een verblijf in een strafkamp overlijdt Bertus Erkelens in Oldenburg op 1 februari 1945. (Bertus vertelt kort voor zijn dood tegen zijn broer Henk: "In Watenstedt is het nog een hemel daartegen, want in het Lager krijgt je helemaal geen eten, en wel veel slaag")
• Berend Derks uit Helenaveen (46 jaar) vindt op 5 maart de dood in Lager 24, het "Todeslager". Men vindt het niet nodig de doodsoorzaak te vermelden.
• Als zoveel anderen wordt ook Leonard Maessen (55 jaar), wegens arbeidsongeschiktheid, verwezen naar Lager 24. Voor hem komt de dood op 16 maart.
• Op 22 maart 1945 komt Jan Bremer om in het Gestapo-Straflager 21 bij Hallendorf ("Herz- und Kreislaufschwäche", met andere woorden: totale verzwakking). Jan is 25 jaar en gehuwd.
• Op 26 maart overlijdt Willem van Kessel in Hildesheim.
• Cornelis van Grunsven (32 jaar) is één van de mannen die vóór de komst van de geallieerden weg kan vluchten uit Watenstedt. Op 3 april komt hij in Holzminden om tijdens een bombardement.
• Wanneer Bertus Lagarde op 8 oktober 1944 wordt opgepakt is zijn vrouw net zwanger van hun zevende kind. Bertus sterft op 13 april 1945 in een kapot gebombardeerde kerk in Hildesheim, helemaal uitgeteerd en uitgemergeld.
• Albert van Lieshout verblijft in het kampziekenhuis te Drütte tijdens de bevrijding. Hij is echter te zeer verzwakt om naar huis te gaan en overlijdt daar op 7 mei op 22-jarige leeftijd.
• Op 13 mei, acht dagen na zijn terugkeer uit de hel van Watenstedt, overlijdt in het ziekenhuis van Maastricht Arnoldus Arts op 47-jarige leeftijd.
• Hendrik van Lieshout (broer van Albert) verblijft tijdens de bevrijding in het "Todeslager". Hij is daar zover verzwakt dat een terugkeer naar huis niet mogelijk is. In de loop van mei wordt Hendrik door de geallieerden per vliegtuig overgebracht naar Reims in Noord-Frankrijk. Daar wordt hij opgenomen in de TBC-afdeling van een Amerikaans hospitaal. Hendrik sterft daar op 11 juni 1945.
Dit zijn maar enkele Helenaveense inwoners, die niet meer teruggekomen zijn. Van de 135 mannen uit Helenaveen die naar Duitsland gedeporteerd waren, komen er 26 niet meer thuis. Sommigen hebben de bevrijding door de Amerikanen nog wel meegemaakt, maar waren te verzwakt om er nog bovenop te komen.
Het duurt even voordat de mannen door het kapotgeschoten Duitsland weer terug naar huis konden. En wanneer het eenmaal zover is, worden ze eerst naar opvangcentra aan de Nederlandse grens gebracht. Daar proberen ambtenaren de Nederlanders, die vrijwillig naar Duitsland waren gegaan eruit te zoeken. Wanneer men het maar even niet vertrouwt, krijgt die persoon een grote rode 'V' (van 'verdacht') op zijn registratiekaart.
Voor de directeur van Maatschappij Helenaveen, de heer Van Schelven zou het duren tot vrijdag 27 april 1945 voor hij Helenaveen terugziet. Voor P. Janssen duurt het zelfs tot 11 mei 1945 voor hij uitbundig verwelkomd wordt in zijn woonplaats.
Bij de achtergeblevenen in Helenaveen leeft na de razzia de grote angst en de onzekerheid. Waar zijn onze mannen en zonen? Hoe maken ze het? Komen ze wel terug en wanneer? Vragen waar niemand een antwoord op weet. In het dorp heerst een akelige stilte, die slechts doorbroken wordt door een verdwaalde kogel en vliegtuiggeronk. Drie jonge meisjes moeten zich bij de Duitse staf melden om dagelijks aardappelen voor de soldaten te schillen. Weer is er de angst bij de ouders en andere mensen, dat het niet alleen om het keukenwerk zou gaan. Wanneer op 18 oktober de keukenwagen vertrekt en het werk voorbij is, haalt iedereen weer even opgelucht adem. Niet voor lang echter, want daags erna worden de bruggen opgeblazen door een "Sprengkommando". Helenaveen is afgesloten van de bewoonde wereld. Naderhand stichten de Duitsers op grote schaal brand.
Helenaveen is het laatste kerkdorp van Deurne, dat in Duitse handen is. Heel het dorp is leeggeplunderd en bijna iedereen is vertrokken. Veel Helenaveense vluchtelingen hebben in Kronenberg en Sevenum onderdak gevonden. Het is nauwelijks mogelijk om even thuis te gaan kijken, hoe de situatie is. Met gebruikmaking van de kanalen houden de Duitsers het dorp als het ware op slot. Intussen beginnen de geallieerde strijdmachten aan hun laatste gevechtshandelingen op Zuid-Nederlands grondgebied. De Maas moet bereikt worden en om daar te komen, moeten de Britse troepen de vijand stap voor stap terugdrijven. Op 14 november 1944 start deze operatie, die de naam "Nutcracker" krijgt. Meijel wordt bevrijd en de Britten gaan vervolgens stug door, ondanks de regen die dag in dag uit blijft vallen. Op 19 november kan de 15e Schotse divisie de oversteek van het Deurnese kanaal maken en de bevrijding van Helenaveen is snel een feit. Een van deze Schotse bevrijders is de 19-jarige Clifford Secker, die onder de wapens is gegaan in plaats van zijn broer, die thuis niet zo goed gemist kon worden. Helaas moet hij zijn goede daad met de dood bekopen. Rond half november 1944 komt hij met een patrouille terecht in de velden van de tuinderij van de familie Veldhuijzen. Door de Duitsers zijn daar echter mijnenvelden aangelegd en de hele groep sneuvelt hierdoor.
De heer C. Veldhuijzen vertelt in 1985 zijn verhaal in Het Weekblad voor Deurne. Toen hij na de strijd om Helenaveen terugkeerde, zag hij tien gesneuvelde geallieerden liggen. Op 120 meter afstand ontdekte hij nog een gesneuvelde militair, die niet op een mijn is getrapt, maar door een schot in het hoofd om het leven is gekomen. Kennelijk heeft hij flink om het behoud van zijn leven gestreden, want er lagen wel zo’n honderd lege geweerhulzen naast hem. In de portefeuille uit het uniform stond de naam Secker.
Alsof de Duitsers nog niet voor genoeg ellende gezorgd hebben in Helenaveen. Op 20 november 1944 steken de Duitsers tijdens hun terugtocht de kerk, de pastorie en het klooster met de meisjesschool in brand. Merkwaardig is dat het beeld van Ignatius blijft staan op de ruïne van het zusterklooster. Ook van het winkeltje van Bertus Klerks tegenover de R.K. Kerk blijft niet veel over, evenals van Café Van Horen. Aken van de Maatschappij worden door de Duitsers opgeblazen. Een spoor van vuur en vernieling laten zij achter zich. De weinige mensen die nog in het dorp zijn achtergebleven, krijgen de eerste bevrijders te zien. Ze krijgen cake, biscuit, chocola en sigaretten van de Tommies. Wat een geweldige luxe na zo'n lange periode van ontbering en onderdrukking. Vanwege het mijnengevaar mogen de bewoners niet onmiddellijk terugkeren naar hun woningen of naar de overblijfselen ervan. Rondom het hele dorp liggen mijnen en pas tegen Kerstmis mag iedereen weer terugkomen, ook al zijn nog lang niet alle explosieven opgeruimd.
1945
De zusters komen op 26 maart terug van het Moederhuis in Veghel en ze vinden voorlopig onderdak in de oude roomboterfabriek aan de Helenastraat. Pastoor van Haaren keert ook terug in Helenaveen en vestigt zich tijdelijk aan de Schoolstraat (tegenwoordig is dit Oude Peelstraat 51).
Op de overblijfselen van de afgebrande pastorie wordt een "nood"pastorie gebouwd. Deze staat er nu nog steeds aan de huidige Helenastraat. Stenen van afgebrande gebouwen worden afgebikt en hergebruikt. Enkele oude muren, compleet met granaatscherfgaten, de keuken en de wijnkelder van de eerste pastorie uit 1878 zijn bewaard gebleven alsook de regenwaterkelder met boogwelven onder de oprit. Om oneffenheden weg te werken wordt de pastorie witgekalkt. De ijzeren poort en punthekken staan er inmiddels al lange tijd niet meer.
De materiële behoefte is groot in vooral Liessel, Neerkant en Helenaveen. In maart 1945 wordt aan Rijkstuinbouwconsulent Van de Kroft om extra hulp gevraagd voor Helenaveen. In die brief om hulp staat o.a.:
'… 147 mannen van de 700 inwoners zijn door de Duitschers meegenomen, zodat alleen nog wat oude mannen overgebleven zijn.(…) Een gedeelte van de oogst is verloren gegaan. Van het vee is er een aantal dood of door de Duitschers meegenomen. Het gevolg is, dat zeer veel tuinders geen geld meer hebben, waarin ik hen wat het levensonderhoud betreft, kan helpen, althans via het herstelfondominee[1] Het is echter onmogelijk om mijnerzijds hen ook nog te helpen aan kapitaal voor den aankoop van paarden, vee, zaaigranen, pootgoed en kunstmeststoffen en het zoo dringend noodige landbouwmateriaal…'
De reactie op deze brief bevat een toezegging voor zover de mogelijkheden reiken; weinig concreet is dat. Ook wordt erin meegedeeld, dat de heer Kees Crommentuijn uit Helenaveen als assistent aan de tijdelijke Directie van den Landbouw verbonden wordt vanaf 1 januari 1945.
Het Brabants Volksherstel voor Sociale, Culturele en Gezondheidszorg schenkt een aantal malen geld tot een bedrag van ƒ30.250,- in totaal. In het kader van de aktie 'Noord helpt Zuid' biedt de Zaanstreek, met plaatsen als Zaandam, Purmerend, Edam, Volendam en Monnickendam, hulp in de vorm van goederen. Meubilair, lampen, keukengerei, aardewerk en textiel worden ginds ingezameld voor de Deurnese bevolking.
In een artikel uit 'Ons Streekblad' (uit de Zaanstreek) van 20 oktober 1945 wordt beschreven, hoe een bezoek aan Deurne van afgevaardigden uit bovengenoemde gemeenten verliep. Zij bezochten hier alle kerkdorpen en zagen hoe verschrikkelijk het in sommige gebieden is.
'…In Helenaveen bezichtigden we verder de ruïnes van de kerk, het klooster en de meisjesschool, die door terugtrekkende Duitsers in brand waren gestoken. Tevens zagen wij, welke toestanden er op het ogenblik nog in deze plaats aangetroffen worden. Er is geen waterleiding; men drinkt slootwater. Elektra is eerst drie jaar geleden aangelegd. Het veen ter plaatse is zo goed als afgegraven, zodat het geen bestaan meer oplevert. (…) Wij gingen ook eens enkele getroffen woningen binnen, waarin nog mensen woonden. Voor zover de muren intact waren, zijn de ramen dichtgespijkerd met planken, waardoor het echter ontzettend tocht, terwijl er steeds duisternis heerst in deze kleine vertrekken. Hoe deze mensen in de aanstaande winter hun vertrekken moeten verwarmen is onbegrijpelijk. Waar de mensen hun levenslucht vandaan halen, is nog onbegrijpelijker….'
Op initiatief van de boerenbondsvoorzitter de heer Wullms en de voorzitter van de Jonge Boeren, Kees Crommentuijn zijn in 1945 enkele vrouwen uitgenodigd in café Van Horen. Na een uiteenzetting wordt uiteindelijk op 6 december de R.K. Boerinnenbond St. Barbara opgericht (de huidige K.V.O.) en de vereniging gaat met 105 leden van
[1] Hier is tekst weggevallen.